De moord in Giessen-Nieuwkerk, "Eene gerechtelijke dwaling"

Riët Timmerman

In de vroege morgen van zaterdag 4 augustus 1923 vond een spoorwegarbeider langs het spoor het lichaam van Jacob de Jong, seinhuiswachter en stationschef van wachtpost 67 van de HSM aan het einde van de Kerkweg in Giessen-Nieuwkerk. De Jong was die nacht op 400 meter van zijn huis op een afschuwelijke wijze om het leven gebracht. De berechting van deze moordzaak is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de strafrechtpleging en staat bekend als een van de grootste gerechtelijke dwalingen van de vorige eeuw in Nederland.

Jacob de Jong werd in 1885 geboren in Wieringerwaard en was getrouwd met Aaltje Koeten uit Winkel. Het echtpaar was in juli 1923 met hun vier kinderen Neeltje, Maartje, Cornelis en Alida uit Weel, gemeente Berkhout, gekomen.

Als haltechef was De Jong onder meer belast met de verkoop van treinkaartjes en het beheer van het kasgeld. Het was de regel om de dagopbrengst van de treinkaartjes, rond de twintig gulden, aan de conducteur van de laatste trein richting Gorinchem mee te geven. In het dienstkantoortje, dat deel uitmaakte van de woning, bleef in een open lade altijd vijf gulden kasgeld achter. De Jong had ook als taak de twee seinpalen te bedienen. Wanneer de laatste trein, een tussen 23.30 en 00.30 uur uit Gorinchem komende goederentrein, de halte was gepasseerd moest hij naar buiten om de lichten van beide seinpalen te doven. Dit waren petroleumlampen, die hij eerst liet zakken en vervolgens uitblies. Alvorens dat te doen sloot hij volgens voorschrift eerst de deur van het kantoortje af. De enige sleutel daarvan stak hij in de zak van zijn dienstjas. Omdat De Jong nog maar zo kort in dienst was verleende de 26-jarige, ongehuwde, Teunis Kras, een wegwerker bij de Nederlandse Spoorwegen, hem wat hand- en spandiensten. Op 3 augustus was Kras, die op een steenworp afstand woonde, op bezoek bij het echtpaar De Jong. Toen omstreeks half elf de laatste trein uit Dordrecht was gearriveerd verliet hij met De Jong diens woning en liep vervolgens naar huis.

Nadat De Jong de envelop aan de conducteur had afgegeven liep ook hij naar zijn woning. Zijn vrouw ging naar bed. Toen even na half twaalf de laatste goederentrein uit Gorinchem was gepasseerd verliet Jacob de woning om de lichten op de seinpalen te doven. Beide palen waren 400 meter in beide richtingen verwijderd van de halte. Eerst deed hij de lamp richting Gorinchem uit, vervolgens liep hij naar de paal richting Dordrecht. Vrijwel onmiddellijk nadat hij deze lamp had laten zakken voltrok zich de moord. Het licht was nog niet gedoofd.

Toen Aaltje de Jong de volgende morgen tegen vijf uur wakker werd, ontdekte zij dat haar man niet naast haar lag. Zowel in de woning als in het kantoortje brandden de lampen, maar Jacob was nergens te vinden. In paniek rende zij naar de woning van Teunis Kras. Twee buurmannen, Hendrik Muis en Leendert den Toom kwamen op het gegil af.

Muis en Den Toom liepen langs de rails richting Gorinchem, Kras richting Dordrecht. Even later vond Kras tussen de beide sporen het zwaar bebloede lichaam van De Jong. Jacob lag gestrekt op zijn rug, ongeveer tien meter van de seinpaal. Zijn armen rustten naast zijn lichaam. Tussen de rechter bovenarm en het bovenlichaam stond, rechtop en met de steel naar boven, een geheel ijzeren klauwhamer. De van een houten label voorziene sleutel van het kantoortje stak uit zijn broekzak.

Jacob de Jong, rechts op de foto, met zijn gezin.

Zijn dienstpet lag bij de seinpaal. Boven de klep zat een gat. Kras haalde de andere mannen, die niet direct dachten aan een misdrijf. Voor ze de politie waarschuwden besloten ze het lichaam van De Jong over te brengen naar diens woning. Hiervoor haalden ze bij buurman Dirk van Weelden een ladder. Kras bleef bij de halte achter om de spoedig arriverende trein te waarschuwen. Muis, Den Toom en Van Weelden droegen het lichaam op de ladder naar de dienstwoning. Ook de hamer en de pet werden meegenomen. Muis stak de kantoorsleutel in zijn zak. Omdat het hoofd zo bebloed was werd het bij de pomp schoongemaakt.

Van Weelden haalde thuis nog wat warm water om het resterende bloed uit de oogholten te verwijderen. Door dit alles werden belangrijke sporen gewist.

Kras waarschuwde wegopzichter Dogterom van de Nederlandse Spoorwegen. Toen deze even later aan de halte verscheen mat hij met een duimstok de afstand tussen enkele wonden op het hoofd. Deze kwamen vrijwel overeen met de afstand tussen de punten van de hamer. Tegen zeven uur werd tenslotte de brigadecommandant van de Rijksveldwacht in Gorinchem, brigadier-majoor J.F. Bastiaanse, gewaarschuwd. Bastiaanse arriveerde even later met Rijksveldwachter Mol en diens Rijkspolitiehond in Giessen-Nieuwkerk. Alleen een hoeveelheid bloed markeerde nog de plaats waar het lijk had gelegen. Een aantal druppels bloed wees vanaf die plaats richting de seinpaal, waar ook de pet van De Jong gelegen had. Men nam aan dat de moord daar was gepleegd.

In de omgeving van de moord vonden de veldwachters nog wat platgetrapt gras, waaraan zij de speurhond lucht gaven. De hond liep meteen naar het huis van de spoorwegwachter.

De Rijksveldwachters, inmiddels bijgestaan door de veldwachter van Giessendam, A. van den Brand, stelden vast dat er op de hamer nog bloed en haren aanwezig waren. Op de steel waren de initialen H.A. zichtbaar. Het moordwapen werd aan Aaltje de Jong getoond, maar zij verklaarde de hamer nooit te hebben gezien. Ook Kras en de andere mannen kenden de hamer niet.

Het slachtoffer was beroofd. Zijn portemonnee met ± ƒ 1,50 en een zakmes van twee kwartjes waren verdwenen. De tabaksdoos was niet meegenomen, maar het kasgeld was uit het kantoortje verdwenen. Muis verklaarde dat de deur 'slotvast' gesloten was toen hij arriveerde. Blijkbaar had de moordenaar de moeite genomen om het geld uit het kantoortje te halen en de sleutel daarna weer in de broekzak van Jacob te doen. 'De gemeente-dokter uit Giessen-Nieuwkerk, die het lijk schouwde, verklaarde dat hij niet onder eede durfde te bevestigen dat  de moord met de gevonden hamer was gepleegd'.

Nog dezelfde dag werd het lichaam naar het ziekenhuis in Dordrecht gebracht en werd er sectie verricht. Jacob had verwondingen opgelopen aan de rechter gelaatshelft en de rechter jukboog was verbrijzeld. Het schedeldak was doorboord. Ook werden enkele bloed-uitstortingen in het gezicht geconstateerd.

Op maandag werd Jacob de Jong in Berkhout begraven.

Op de middag na de moord verklaarden landbouwer Klaas van der Stelt en diens knecht Johannes Stam dat zij om 4.45 uur op de Kanaaldijk een vreemde figuur hadden gezien.

De verdachte, Van Boxmeer, gaf aanvankelijk een valse naam op en bleek, hoewel zonder middelen van bestaan, in het bezit van ƒ 5,60 en een mes dat door de weduwe en de zoon van het slachtoffer werd herkend. Ook ijscoventer Mijnster uit Sliedrecht dacht Van Boxmeer op 3 augustus om half zes te hebben gezien. Van Boxmeers gangen werden grondig nagetrokken, maar hij had een goed alibi: hij was die middag in de autobus opgestaan voor een man die een grote spiegel droeg en werd door zijn medereizigers herkend.

Hij werd op 22 augustus vrijgelaten. Mijnster twijfelde nu en op 14 augustus meldde hij dat hij van Karel Bouwmeesters uit Sliedrecht had gehoord dat hun kostganger Chris Klunder op 3 augustus aan de spoorlijn had gewerkt en 's nachts rond half drie was thuisgekomen met een onbekende man. Klunders hospita bevestigde het verhaal. Ook vertelde zij dat zij een broek van Klunder had gewassen, maar daarin geen bloedvlekken had gezien. Het moord-wapen herkende zij niet. Klunder was 's avonds vaak te vinden bij de familie Kroon in Sliedrecht. Volgens de controleur van de gemeentelijke belastingen dreef Kroon 'een ijscohandel met een winkeltje, benevens een stille nachtkroeg, waar allerlei verdachte individuen samenkomen.' Cornelis Kroon en diens vrouw Marigje Koppelaar werden op 15 augustus gehoord. Hun verklaringen waren eensluidend:

Sinds enkele weken was Hendrik Vermeer bij hen in de kost. Hij was metselaar en verrichtte onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen langs de spoorlijn in Dordrecht. Op 3 augustus was Vermeer thuisgekomen van zijn werk. Rond tien uur die avond was Klunder, een kameraad van hem, met zijn uitvoerder Jan Teunissen op bezoek gekomen. Het werd een gezellige avond. Rond 00.30 uur bracht Teunissen Klunder naar diens kosthuis. Omdat het te laat was om nog naar zijn woonplaats Dordrecht te reizen was Teunissen daarna bij de familie Kroon blijven slapen. Nu bleef het de vraag waar de heren Klunder en Teunissen tussen 01.00 en 02.30 waren geweest. Op 30 augustus, pas een maand na de moord, vertelde Mijnster aan de Sliedrechtse politie dat Kroon rond Pasen in het bezit was van een ijzeren hamer (Kroon verkocht ook ijs, maar het was geen broodnijd). De volgende dag doken nog twee getuigen op die het verhaal van Mijnster bevestigen. In het bijzijn van agent Meintjes van de Sliedrechtse politie werden zij verhoord. Meintjes verklaarde bovendien dat hij enige tijd voor de moord op een avond had gezien dat 'omstreeks tegen zonsondergang, vrouw Kroon, in vereeniging met Klunder langs de kade lag tussen Sliedrecht en Wijngaarden'. Later verklaarde hij dat het om Teunissen ging.

Op 31 augustus gaf officier van justitie in Dordrecht, mr. A.C. Kronenberg, de politie de opdracht het echtpaar Kroon en de heren Klunder en Teunissen te arresteren.

Op 1 september werden zij verhoord door de rechter-commissaris in Dordrecht, mr. G. de Gaay Fortman, en daarna in voorlopige hechtenis genomen. De heren bleven bij hun verklaring: zij waren rond half een naar de woning van de Bouwmeesters gegaan.

Teunissen was met Klunder meegegaan omdat hij zijn portefeuille met daarin ruim vijfhonderd gulden tijdelijk bij hem in bewaring wilde geven.

Na het overhandigen van de portefeuille hadden zij samen nog wat eten, dat op de tafel klaarstond, opgegeten. Klunder en Teunissen verklaarden het moordwapen nog nooit te hebben gezien. Ook het echtpaar Kroon bleef bij hun verklaring. Mevrouw Kroon was het tweetal nog nagelopen en had hen zien eten. Ongeveer tien minuten later was Teunissen alleen teruggekeerd. Vermeer bevestigde de verklaringen. Klunder en Teunissen leken dus een goed alibi te hebben voor de tijd tussen 23.00 en 01.00 uur. Vervolgens werden de getuigen gehoord die een verklaring hadden afgelegd omtrent de hamer van Kroon. Zij waren nu minder zeker van hun zaak.

Foto rechts: J.C. Klunder

Op 13 september werden de verdachten vrijgelaten. Klunder verliet Sliedrecht, Teunissen keerde terug naar zijn gezin in Deventer en Vermeer vertrok naar Kesteren. Het gezin Kroon werd door de dorpelingen in Sliedrecht wantrouwend aangekeken en dreigde in financiële moeilijkheden te raken. In de Alblasserwaard gonsde het van de geruchten.

Op 28 augustus was er huiszoeking gedaan bij Teunis Kras, maar hier werden niet de minste aanwijzingen gevonden waaruit zou blijken dat hij bij de moord betrokken was.

Acht weken na de dood van haar man verhuisde Aaltje Koeten naar haar geboorteplaats Winkel. Ook daar staken de geruchten weldra op en deze bereikten ook Rijksveldwachter Mol in Gorinchem.

Deze reisde op 19 september 1924 met de gemeenteveldwachter van Schelluinen, Willem Versluis, in burgerkleding af naar Winkel. Daar hoorden zij diverse inwoners, die verklaarden dat Aaltje 'hier niet leefde als een treurende weduwvrouw'. Naar aanleiding van de aanhoudende geruchtenstroom vroeg mr. Kronenberg in oktober 1924 de procureur-generaal in Den Haag hem een 'flinke rechercheur van de Rijksveldwacht' te sturen om de zaak alsnog op te lossen.

Rijksveldwachter-rechercheur J.F.M. de Jong werd op de zaak gezet. Al in november schreef hij Kronenberg dat de vermoedens tegen Kras en Van Boxmeer 'van geen belang' waren.

Hij gaf aan dat de moordenaars in het kringetje rond Kroon gezocht moesten worden omdat er door het vijftal 'geen waarheid was gesproken', met name over het tijdstip waarop Klunder en Teunissen weg waren gegaan. De rechercheur onthulde aan het eind van zijn eerste rapport hoe het was gegaan: Klunder en Teunissen waren om elf uur op de fiets naar Giessen-Nieuwkerk gegaan en hadden de moord gepleegd. Met deze conclusies begon De Jong zijn eigen onderzoek. De moordenaars waren al gevonden, nu moest er nog bewijsmateriaal gevonden worden. Hij probeerde zo veel mogelijk ongunstige informatie en getuigenverklaringen tegen het vijftal te verzamelen. Hij dichtte Klunder nog een andere moord toe en liet hem door een oude kameraad dronken voeren en uithoren.

De kosten die hieraan verbonden waren werden door Justitie betaald. Ook zette De Jong een advertentie in de krant waarin werd gevraagd om werklieden voor Nederlands West-Indië. De advertentie werd door de kameraad aan Klunder getoond en deze reageerde onder de naam Jansen. Op deze manier beschikte De Jong over het handschrift van Klunder. De Jong beweerde over een dreigbrief te beschikken met hetzelfde handschrift en betichtte Klunder er van dat hij onder een valse naam had proberen te vluchten. Verder stond in het rapport dat mevrouw Kroon minder netjes was dan men dacht en Maria van Wijngaarden had geadviseerd een abortus te laten plegen. Deze informatie verwerkte de rechercheur in zijn rapport aan mr. Kronenberg.

Klunder, Teunissen en het echtpaar Kroon werden eind februari 1925 gearresteerd, Vermeer op 5 maart. Het vijftal werd voor rechter-commissaris J. Bentfort van Valkenburg geleid. Klunder en Teunissen zouden de moord hebben gepleegd, de anderen waren medeplichtig omdat zij het moordwapen hadden geleverd. In een kort verhoor bleven alle betrokkenen bij hun verklaring die zij in 1923 hadden afgelegd: de hamer was onbekend en de heren waren hooguit een kwartier weg geweest. Toch werden zij gevangen genomen en gaven Kronenberg en Bentfort rechercheur De Jong de vrije hand. Hij kreeg een doorlopend toegangsbewijs de verdachten in het Huis van Bewaring op te zoeken en deponeerde het ene na het andere ambtsedige rapport bij Kronenberg, die dit doorstuurde naar de rechter-commissaris. Omdat het ambtsedige rapporten waren kreeg de verdediging deze niet te zien en ontstond er een 'geheim dossier' van de zaak Giessen-Nieuwkerk. De Jong zette alles op alles om de zaak rond te krijgen.

Kroon bleef aanvankelijk stellig bij zijn verklaring, maar de rechercheur deelde hem mee dat zijn vrouw al bekend had dat de hamer wel van hem was en dat Klunder en Teunissen al om elf uur weg waren gegaan. De Jong had mevrouw Kroon inmiddels gedreigd met vervolging wegens meineed en medeplichtigheid aan de moord en aan de abortus.

De Jong schreef een briefje dat door mevrouw Kroon ondertekend werd. Op 14 maart legde ook Kroon een voor Klunder en Teunissen belastende verklaring af. Zij hadden hem om een hamer gevraagd, waren om elf uur weggegaan en hadden bij thuiskomst verteld dat zij in Giessen-Nieuwkerk 'een vent hadden doodgeslagen'.

Marigje Kroon ondertekende de verklaring van haar man. De Jong vermeldde niet in zijn rapport dat hij haar hierna een gulden had gegeven.

Een week later gaf het echtpaar Kroon aan mr. Kronenberg te kennen hun belastende verklaring in te willen trekken. Kronenberg liet Marigje naar de rechter-commissaris brengen die volgens Marigje haar verklaring niet wilde opschrijven omdat zij te zenuwachtig zou zijn. Ook de verklaring van Kroon werd niet op papier gezet. Het echtpaar werd weer door De Jong verhoord en legde nogmaals de belastende verklaring af.

De Jong had de zaak nu bijna rond. Vermeer bleef bij zijn verklaring uit 1923, maar zei tenslotte dat het tweetal 'geruime tijd' was weggeweest. De Jong vond deze omschrijving voldoende belastend. Klunder en Theunissen bleven in alle toonaarden ontkennen. Het echtpaar Kroon werd op 6 april vrijgelaten, Vermeer half mei. De Jong ging door met zijn onderzoek. Agent Meintjes verklaarde op 1 mei 1925 voor het eerst dat hij beide heren rond elf uur per fiets richting Giessendam had zien vertrekken. Meintjes en De Jong zochten nog een getuige om deze verklaring kracht bij te zetten en vonden deze in de persoon van Willem Klein. In september 1925 bezocht De Jong Kees Kroon, die toen verklaarde dat hij de hamer zelf had gemaakt. De Jong gaf hem toen ƒ 2,50. 'Uit liefdadigheid'.

Foto rechts: J. Teunissen

Op 18 en 19 september 1925 stonden Klunder en Teunissen terecht op verdenking van moord. Er waren 42 getuigen, waaronder het echtpaar Kroon, hun twaalfjarig dochtertje en Hendrik Vermeer. Mr. Kronenberg eiste levenslang. De advocaten, mr. G.J. van Tricht voor Klunder en mr. L. Salomonson voor Teunissen, bepleitten vrijspraak en klaagden over 'draaipartijen' van rechercheur De Jong. Van Tricht noemde de verhalen van de officier van justitie over de hamer 'te fantastisch om op in te gaan' en werd daarvoor ernstig berispt door de president. De rechtbank deed op 2 oktober 1925 uitspraak en veroordeelde Klunder en Teunissen tot 15 jaar gevangenisstraf omdat de rechtbank niet moord, maar diefstal met geweld de dood tot gevolg hebbend, bewezen achtte. De advocaat-generaal erkende dat het onderzoek slecht was geleid, maar weet dat aan een zekere inspecteur Snijders.

Op 17 februari 1926 werd het vonnis van de rechtbank door het Gerechtshof in Den Haag bekrachtigd. Het cassatieverzoek werd op 31 mei 1926 door de Hoge Raad verworpen.

Klunder en Teunissen gingen naar de strafgevangenis in Leeuwarden.

(Wordt vervolgd)

Bezoekadres

Dorpsstraat 10
3381 AG Giessenburg
telefoon: 0184-652872
e-mail: secretariaatgvgs@gmail.com

Openingstijden:

Op tijden dat er werkgroepen aanwezig zijn.
Woensdag en zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur.
Op afspraak

Fotobank

Honderden historische foto's van onze dorpen in de Fotobank. Het aantal groeit nog steeds! > Lees verder

Privcay

Privacy reglement