Jan van der Giessen (1900-1994) in militaire dienst: het jaar 1920
Janny Lock
Sinds 1944 is het mogelijk dat vrouwen er voor kiezen om dienst te nemen bij de land-, zee- of luchtmacht. Aanvankelijk in vrouwencorpsen als verpleegkundige, typiste of boekhouder. Pas in 1978 kon een vrouw een opleiding beginnen als onderofficier of officier en in 1981 werden de speciale vrouwencorpsen opgeheven. Mannen en vrouwen doen nu gezamenlijk dienst in een bepaald regiment. Ruim honderd jaar geleden mochten alleen mannen een militaire functie uitoefenen. Op de leeftijd van negentien of twintig jaar werden mannen opgeroepen om zich te oefenen in de wapenen. Zo ook Jan van de Giessen, die het grootste deel van zijn leven in Giessen-Oudekerk woonde. Hij begon zijn dienstplicht bij de genietroepen in juli 1920, zeven weken na zijn twintigste verjaardag.

Jan van de Giessen was, zoals het werd genoemd, ingeloot. De loting vond
plaats in aanwezigheid van de aspirant-soldaten. De militiedistricten organiseerden de lotingen, die een gebied omvatten
van ongeveer 100.000 inwoners. Het doel was uiteindelijk om rekruten
voor de dienstplicht te selecteren. Als een jongeman werd ingeloot,
kreeg hij een keuring, die bestond uit een gesprek, psychologisch
onderzoek, medische keuring en een sporttest. Pas in 1938 werd het
systeem van loten opgeheven en werd iedere dienstplichtige opgeroepen
voor militaire dienst.
Tot 15 mei 1748 waren mineurs en sappeurs aparte legerafdelingen. Zij werden toen samengevoegd onder de naam genietroepen. In de 80-jarige (1568-1648) oorlog groeven mineurs ondergrondse gangen tot onder de vestingmuren en vestingwallen van een stad. Aan het eind van de gang maakten ze een mijnkamer gevuld met buskruit. Later waren mineurs specialisten in het gecontroleerd laten ontploffen van explosieven of het waren manschappen die landmijnen plaatsten. Het graven van tunnels rond een belegerde vesting werd later toebedeeld aan de sappeurs. Zij waren gespecialiseerde grondwerkers die loopgraven en tunnels groeven. In de loop der tijden werden de troepen die voor de verbindingen zorgden, waaronder de mineurs en sappeurs, genisten genoemd. Zij zorgden onder andere voor de telefoon- en telegraafverbindingen.
Toen Jan van de Giessen in 1920 bij het 2e regiment genietroepen werd ingedeeld, kreeg iedere soldaat een zakboekje waarin tal van gegevens staan. Het zakboekje werd aan de dienstplichtige in bewaring gegeven. Voor Jan was dit op 19 juli 1920, toen hij zich als dienstplichtig soldaat meldde. Er kan van uitgegaan worden dat hij in de Kromhoutkazerne in Utrecht was gelegerd. Deze kazerne was in 1913 door de genie in gebruik genomen1.
In het zakboekje van Jan van de Giessen staan tal van aantekeningen. Allereerst werd hij geregistreerd bij het: ‘regiment, korps enz., waartoe de houder van het zakboekje behoort en waarbij hij in registratie is’. Voor Jan was dit het 2e regiment genietroepen. Hij staat in het zakboekje beschreven als ‘van de Giessen, Jan, gewoon dienstplichtig, lichting 1920, Giessendam A109’. Zijn lengte was 1.67 ½ meter en hij had geen bijzondere kenmerken. Zijn stamboeknummer was 35011 en de serieletter en no. van het uitgereikte wapen was: J 9950.
Zijn functie ten tijde van zijn dienstplicht bij de genietroepen was ‘lijnwerker’. De genie als geheel zorgde voor de communicatieverbindingen. In 1920 bestond de verbinding vooral uit telegraaf- en telefoonverbindingen. Sporadisch werd nog gebruik gemaakt van postduiven en de zogenaamde berichtenhonden. Een lijnwerkploeg bestond uit meerdere personen. Een van hen liep met een haspel met telefoondraad op zijn rug en achter hem liepen een of meerdere personen. Die waren voorzien van een stok met daarop een soort gaffel waarmee de afgespoelde draad in bomen of een speciaal gemaakte constructie opgehangen kon worden. Ook had de ploeg een telefoon bij zich om na het aanleggen van de draad de verbinding te kunnen controleren. In die tijd (1920) viel deze taak toe aan de lijnwerkers van de genietroepen. Jan van de Giessen staat op een foto tijdens die werkzaamheden gedurende zijn diensttijd bij het tweede regiment genietroepen. Daarop is te zien dat er van houten palen een stelling is gemaakt en dat er al twee telefoon- of telegraafdraden over de stelling zijn getrokken. Jan en een andere soldaat staan met een zaag in de handen, die waarschijnlijk is gebruikt voor de constructie waarover de telefoon- of telegraafdraden lopen.

Jan
van de Giessen is de soldaat linksboven met de pijp in de mond.
Jan van de Giessen was maar kort dienstplichtig. Al na een half jaar als dienstplichtig soldaat ging hij op 15 januari 1921 met groot verlof. De lengte van de dienstplicht werd bij wet per jaar bepaald, kennelijk werd een langere dienstplicht in 1920 niet nodig geacht. Daarna volgden nog enkele herhalingsoproepen. Dat was van 10 september 1923 tot en met 22 september 1923 en van 19 augustus 1926 tot en met 4 september 1926.
Bij
een ongedateerde aantekening en aantekeningen van 10 juni 1929 en 26
mei 1932 stond wat hij mee naar huis nam op groot verlof:
- Beenwindsels: dat zijn lange repen stof, die rond de onderbenen werden gewikkeld om vuil en vocht in de schoenen tegen te gaan. In het Nederlandse leger pasten beenwindsels bij het in 1912 ingevoerde groene velduniform, ze werden gemaakt van vervilte stof, later van wollen stof met een reep zwart geitenchroomleer.
- Broodzak met band: die waren over het algemeen gemaakt van ongebleekt linnen. In de broodzak was een vakje voor de veldfles. Het werd gedragen aan de koppelriem.
- Eetketel: een blikken ketel met deksel en hengsel, die in een foedraal van stof (canvas) werd bewaard.
- Naaizakje: het was een stoffen wikkel die opgerold kon worden en vastgezet werd met een bandje rond de wikkel.
Voor wat betreft het uniform had Jan van de Giessen de volgende onderdelen in bewaring gekregen:
- Overjas: lange jas om over het uniform te dragen.
- Pantalon (kort): onder deze korte pantalon werden de beenwindsels gebruikt.
- Rijgschoenen: laarzen waarvan de veter middels haakjes aangetrokken kon worden tot ze het been goed omsloten.
In geval van een oproep voor mobilisatie bij oorlogsdreiging of calamiteit waren de voornaamste regels uit het zakboekje in 1926 als volgt omschreven:
Opmerking:
Bij alle inspectiën
moet het zakboekje dadelijk kunnen worden vertoond.
Kennisgeving:
Den verlofganger wordt dringend verzocht en in zijn eigen belang
aangeraden om, in geval van oproeping tot opkomst met spoed, er zorg
voor te dragen, dat hij voorzien is van een eigen paar sterke,
bruikbare, hem passende schoenen en van een eigen handdoek, hemd,
onderbroek en een paar sokken. Deze goederen moeten nieuw of zeer
goed zijn. De waarde daarvan, te bepalen naar regelen door den
Minister van Oorlog vast te stellen, wordt hem zoo spoedig mogelijk
na opkomst vergoed’.
Werd er een mobilisatie afgeroepen dan was de mobilisatiebestemming voor Van de Giessen ‘Depot Genietroepen, 11e Depotbataljon. Staf. Registratiebureau’. Dat bureau was daarvoor ingericht in Rotterdam in de Kweekschool voor Onderwijzers, Veemarkt no.1. Hij moest dan per spoor van Giessendam naar Rotterdam reizen. Jan van de Giessen is echter aan het begin van de Tweede Wereldoorlog niet meer opgeroepen voor de mobilisatie en werd ook niet meer voor herhalingsoefeningen opgeroepen.
Bronnen:
- Archief museum Het Regthuys in archiefdoos 64a.
- Bert van Rhijn, medewerker Nationaal Militair Museum te Soest.
- J. Zwart, de organisatie van het Wapen der Genie, tijdschrift ‘de Militaire Spectator’ 7 juli 1919.
- www.wikipedia.nl: uitleg diverse onderdelen soldatenuitrusting.
- www.defensie.nl.
- www.wikipedia.org: vrouwen in de frontlinie/geschiedenis.
- www.isgeschiedenis.nl: geschiedenis van de dienstplicht.
1 In oktober 2010 werd de nieuwe Kromhoutkazerne in gebruik genomen, de oude kazerne werd onderdeel van Universiteit Utrecht.




